HOE ZIT DAT MET VRAGENDE ZINNEN IN HET ENGELS??

 

 

Het maken van vragen gaat in het Engels in heel veel gevallen net als in het Nederlands, namelijk door het werkwoord in de zin helemaal vooraan te zetten. Kijk maar naar de voorbeelden:

 

q       Hij is erg aardig

Ú Is hij erg aardig?

q       He is very nice

Ú Is he very nice?

q       Zij zijn aan het werk

Ú Zijn zij aan het werk?

q       They are working

Ú Are they working?

q       Jij kan goed zwemmen

Ú Kan jij goed zwemmen?

q       You can swim well

Ú Can you swim well?

 

 

Maar soms gaat het in het Engels ineens heel anders dan in het Nederlands. Kijk maar eens:

 

q       Jullie wonen hier

Ú Wonen jullie hier?

q       You live here

Ú DO you live here?

q       Zij werkt heel hard

Ú Werkt zij heel hard?

q       She works very hard

Ú DOES she work very hard?

 

 

Je ziet dat er in deze zinnen ineens woorden bijkomen in het Engels, namelijk DO of DOES. Rara, hoe zit dat??

 

Vandaar dit overzicht. Je vindt hier de regels voor de vragende zinnen in het Engels.

 

 

 

VRAGENDE ZINNEN

 

Als je van een Engelse zin een vraag moet maken, kijk dan eerst naar het werkwoord in die zin. Staat er AM, ARE of IS in, dan is het makkelijk. Je zet gewoon dat woord vooraan en klaar is de vraag.

Soms staan er TWEE werkwoorden in de zin. Dan zet je het EERSTE werkwoord vooraan en je hebt ook een prachtige vraagzin.

Kijk maar eens naar de voorbeelden:

 

q       I am in the right place

Ú Am I in the right place?

q       You are a TV fan

Ú Are you a TV fan?

q       She is into music

Ú Is she into music

q       We are the best

Ú Are we the best?

q       He can answer the phone

Ú Can he  answer the phone?

q       They could help us

Ú Could they help us?

q       She would like that

Ú Would she like that?

q       He has got a new car

Ú Has he got a new car?

q       I will always love you

Ú Will I always love you?

q       You have got information

Ú Have you got information?

 

 

Maar, pas op! Het is niet altijd zo makkelijk. Als er maar één werkwoord in de zin staat en dat werkwoord is niet: am, are of is, maar een ander werkwoord, dan gaat het maken van de vraag anders. Dan heb je de hulp nodig van een hulpwerkwoord, namelijk: DO of DOES.

 

 

 

Je gebruikt DO bij de woorden: I, YOU, WE en THEY.

 

Je gebruikt DOES bij de woorden: HE, SHE en IT.

 

Let op: Bij vragen met he, she of it zet je er vooraan de zin DOES bij en haal je de -S achter het andere werkwoord weg!!

Bekijk de voorbeelden:

 

q       I play football every week

Ú Do I play football every week?

q       She helps her mother

Ú Does she help her mother?

q       My parents work hard

Ú Do my parents work hard?

q       Fred plays very well

Ú Does Fred play very well?

q       My sister likes chips

Ú Does my sister like chips?

q       A whale eats bananas

Ú Does a whale eat bananas?

 

 

 

 

Vragen - 1 oefenen met makkelijke zinnen.

 

 

 

Vragen - 2 oefenen met iets moeilijker zinnen.

 HOME